Blog #004: Wat Zijn De Meest Gemaakte Taalfouten?

26 januari 2022 \ Studiebegeleiding \ door Youri Vuurman

In deze rubriek schrijven onze docenten en medewerkers een blog. Hierbij de vierde blog, ditmaal van een van onze bijlesgevers. De meest gemaakte taalfouten In de bijlessen maken leerlingen vaak dezelfde taalfouten. Vaak blijkt dat leerlingen niet precies weten wat ze fout doen. In deze blog worden de vijf meeste taalfouten beschreven en uitgelegd. Herken.. Meer lezen

In deze rubriek schrijven onze docenten en medewerkers een blog. Hierbij de vierde blog, ditmaal van een van onze bijlesgevers.

De meest gemaakte taalfouten

In de bijlessen Nederlands maken leerlingen vaak dezelfde taalfouten. Vaak blijkt dat leerlingen niet precies weten wat ze fout doen. In deze blog worden de vijf meeste taalfouten beschreven en uitgelegd. Herken jij ze?

‘Me, m’n of mijn’

Veel leerlingen neigen het bezittelijk voornaamwoord ‘mijn/m’n’ als ‘me’ te schrijven. Echter is ‘me’ een wederkerend voornaamwoord en niet een bezittelijk voornaamwoord. Je schrijft dus niet ‘me fiets’, maar juist ‘m’n fiets’ of ‘mijn fiets’.

Hun vs. zij

In Gelderland en Noord-Brabant is het zeer gebruikelijk het onderwerp ‘zij’ te vervangen door ‘hun’. Dit gebeurt ook veelvoudig in het land van Maas en Waal. ‘Hun’ kan niet als zelfstandig naamwoord gebruikt worden. ‘Hun’ is een meewerken voorwerp (bijvoorbeeld: ik heb hun iets gegeven) of een bezittelijk voornaamwoord (bijvoorbeeld: hun huis). Wanneer men spreekt over een groep mensen als onderwerp dan is het toch écht ‘zij’, zoals in: ‘zij hebben een huis gekocht.’.

Hen of hun?

Wanneer gebruik je dan ‘hen’ of ‘hun’? Het gaat vooral mis wanneer men ‘hen’ schrijft als meewerkend voorwerp, zoals in: ik heb hen wat gegeven. Dat is niet correct. Het zou moeten zijn: ik heb hun wat gegeven. ‘Hen’ kan in deze constructie enkel gebruikt worden met het voorzetsel aan of voor, zoals in: ik heb aan hen wat gegeven. Dat is de correcte constructie. ‘Hen’ gebruiken we ter verwijzing naar een groep personen wanneer het een lijdend voorwerp betreft (bijvoorbeeld: ik zie hen). Bij het meewerkend voorwerp is er dus enkel sprake van een constructie met ‘aan/voor hen’’ of enkel ‘hun’, zoals in het voorbeeld hierboven benoemd wordt.

Die of dat?

In de bijlessen komt ook regelmatig terug dat er foutief wordt verwezen met betrekkelijke voornaamwoorden. Betrekkelijke voornaamwoorden gebruiken om te verwijzen naar iets wat eerder benoemd wordt. Zo nu en dan komen constructies voor als: ‘een meisje die’ of ‘het boek die’. Deze beide constructies zijn fout, omdat zowel boek als meisje onzijdige zelfstandig naamwoorden zijn. Het zou dus moeten zijn: ‘een meisje dat of ‘het boek dat. Wanneer het zelfstandig naamwoord mannelijk of vrouwelijk (dit herken je aan het lidwoord ‘de’) dan verwijs je met ‘die’, zoals in: ‘de man die …’.

Groter als of groter dan?

Regelmatig zeggen leerlingen dingen als: ‘Het is groter als’ of ‘Ik heb meer als’. Deze constructies zijn fout, want je gebruikt ‘als’ louter in situaties waarin iets vergeleken wordt en het een gelijkheid betreft (zoals in: hij is even groot als …). Wanneer er een verschil is, dus bijvoorbeeld bij meer of minder, dan moet men ‘dan’ gebruiken (zoals in: hij is groter dan ik of hij is kleiner dan ik).

Dat zijn ze: vijf taalfouten die bijna iedere bijlesleerling maakt. Hopelijk heeft de bovenstaande kennis nieuwe inzichten opgeleverd met betrekking tot de taalfouten. Het gaat vaak fout omdat de leerling het niet weet. Vaak worden constructies ook fout aangeleerd en eigenlijk nooit nader bekeken. Het is dus zeker mooi meegenomen om hier nog eens goed naar te kijken naar deze fouten. Doe er je voordeel mee!

 

Blijf op de hoogte